2008 › Trails

TRAILS

2008

Pesten en populariteit: Herba CM

Herba, C. M., Ferdinand, R. F., Stijnen, T., Veenstra, R., Oldehinkel, A. J., Ormel, J. et al. (2008). Victimisation and suicide ideation in the TRAILS study: specific vulnerabilities of victims. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 49, 867-876.

Eerder onderzoek toont een mogelijk verband tussen gepest worden en suïcide gedachten. In dit onderzoek hebben wij gekeken of (1) psychopathologie van ouders en (2) gevoelens van afwijzing (thuis en op school) het risico op zelfdodinggedachten voor slachtoffers van pesten (zowel slachtoffers als kinderen die zowel slachtoffer als pester zijn) verergerd.
Data zijn afkomstig van Nederlandse kinderen uit de algemene bevolking (N=1526, gemiddelde leeftijd=12.29 jaar). Met hulp van nominaties van klasgenoten zijn kinderen ingedeeld in 3 groepen: (1) alleen slachtoffer, (2) slachtoffer-pester (kinderen die slachtoffer zijn maar die ook pesten) en (3) niet erbij betrokken. Zelfgerapporteerde zelfdodinggedachten komen van twee items van de Youth Self-Report (Achenbach, 1991). Verder zijn nagevraagd: internaliserende en externaliserende problemen van de ouders, gevoelens van afwijzing thuis en sociaal welzijn in de klas.
Het verband tussen gepest worden en zelfdodinggedachten werde beïnvloed door internaliserende problemen van de ouders (niet door externaliserende problemen) en door gevoelens van afwijzing thuis. Slachtoffers (maar niet slachtoffer-pesters) waarvan de ouders internaliserende problemen hebben, hebben meer zelfdodinggedachten dan kinderen die niet betrokken waren met pesten. Slatoffers die meer afwijzing thuis voelen rapporteren ook meer zelfdodinggedachten. Er waren geen sekse verschillen in zelfdodinggedachten. Verassend was dat de slachtoffer-pester kinderen geen hoger niveau van zelfdodinggedachten hadden dan kinderen die niet betrokken waren bij pesten. Wij concluderen dat internaliserende problemen van ouders en afwijzing thuis, kinderen die op school gepest worden kwetsbaar maken voor zelfdodinggedachten.

Pesten en populariteit: Dijkstra JK

Dijkstra J.K., Lindenberg S.M., Veenstra R. (2008). Beyond the Classroom Norm: The Influence of Bullying of Popular Adolescents on Peer Acceptance and Rejection. Journal of Abnormal Child Psychology, 36, 1289-1299.

Onderzoek heeft laten zien dat de mate waarin gedrag voorkomt in een klas (de zogenaamde klasnorm) van invloed is op de wijze waarop dit gedrag samenhangt met leuk gevonden (peer acceptance) en niet-leuk gevonden (peer rejection) worden door klasgenoten. In dit onderzoek hebben we gekeken in hoeverre pestgedrag van populaire jongeren in de klas (populariteitsnorm) een rol speelt in de mate waarin pesten verband houdt met geaccepteerd dan wel afgewezen worden door leeftijdsgenoten. Meer specifiek hebben we het gemiddelde pestgedrag van populaire jongeren in de klas afgezet tegen het gemiddelde pestgedrag van niet-populaire jongeren in de klas in interactie met individueel pestgedrag.

De data zijn afkomstig uit een subsample met peer nominaties van TRAILS (N=3312). Resultaten van multilevel regressie analyse laten zien dat het negatieve effect van pesten op leuk gevonden worden en het positieve effect op niet-leuk gevonden worden werden afgezwakt in klassen waarin populaire kinderen betrokken zijn bij pesten. Deze studie suggereert dat vooral de betrokkenheid van populaire jongeren bij pesten (en niet zozeer het gemiddelde pestgedrag in de klas) de negatieve effecten van pesten op leuk en niet-leuk gevonden worden door klasgenoten afzwakt.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Pesten en populariteit: Tinga F

Tinga F., Veenstra R., Lindenberg S. (2008). Spijbelen aan het einde van het basisonderwijs en het begin van het voortgezet onderwijs: De invloed van sociale bindingen en zelfcontrole. Pedagogische Studiën, 85, 59-75.

  • Doel van deze studie was om inzicht te bieden in de mate waarin spijbelen op betrekkelijk jonge leeftijd voorkomt en na te gaan in hoeverre dit risicogedrag voorspeld kan worden door sociale bindingen (Hirschi, 1969) en zelfcontrole (Gottfredson, & Hirschi, 1990).
  • Aan het einde van het basisonderwijs werd bij 13 procent van de kinderen gerapporteerd dat zij wel eens spijbelden. Twee jaar later was dit percentage opgelopen tot 19 procent. 5% van de kinderen (vaker jongens dan meisjes) spijbelt zowel op 11 als op 13.5 jarige leeftijd. Dus ver voor het einde van de leerplichtige leeftijd. Ouders maar ook leerkrachten hebben vaak geen weet van wie er spijbelt.
  • Met multinomiale logistische regressie hebben we gelijktijdig de invloed van de verschillende voorspellers onderzocht. Een belangrijke bevinding is dat zelfcontrole, wanneer het tegelijk met diverse bindingselementen in het model wordt opgenomen, geen voorspellende invloed heeft op al dan niet spijbelen.
  • De twee in het model opgenomen bindingselementen, emotionele binding (aan ouders en leerkrachten) en morele binding aan regels, hebben wel een effect op spijbelen. Kinderen uit een zwak sociaal milieu behoren ook bovengemiddeld vaak tot de groep met absenties. Vooral een goede band met ouders en leerkrachten is van belang voor het voorkomen van spijbelen.
  • Belangrijk voor preventie is dat de start van het spijbelen al valt te traceren in het basisonderwijs. Dus ver voor het einde van de leerplichtige leeftijd. Aanpakken van spijbelen is nuttig, want spijbelen vertoont grote overlap met ander probleemgedrag, waaronder heel nadrukkelijk delinquentie.

Klik hier voor het artikel via PsycINFO