2014 › Trails

TRAILS

2014

Overige (TRAILS en onderzoektechnieken): Jonker I

Jonker, I., Klein, H.C., Duivis, H.E., Yolken, R.H., Rosmalen, J.G.M., Schoevers, R.A. Association between Exposure to HSV1 and Cognitive functioning in a General Population of Adolescents. The Trails Study. PLoS One. 2014 Jul 1;9(7):e101549

Wat was al bekend over dit onderwerp

  • Psychiatrische stoornissen gaan vaak samen met problemen met planning en geheugen.
  • Bij patiënten met schizofrenie en bij patiënten met stemmingsstoornissen is gevonden dat problemen met planning en geheugen samenhangen met blootstelling aan het Herpes Simplex Virus type 1 in het verleden.
  • Blootstelling in het verleden aan het Herpes Simplex Virus kun je meten door antistoffen tegen dat virus te bepalen in het bloed.
  • In gezonde volwassenen is er ook een samenhang gevonden tussen de scores op testen van planning en geheugen en de aanwezigheid van antistoffen tegen het Herpes Simplex Virus type 1.


Wat deze studie toevoegt

  • Al op jonge leeftijd is er een samenhang te zien tussen antistoffen tegen het Herpes Simplex Virus type 1 en de scores op planning- en geheugentesten 2 jaar later.
  • Scores op planning- en geheugentesten hangen niet samen met antistoffen tegen andere herpes virussen dan het Herpes Simplex Virus type 1.
  • Dit zou kunnen betekenen dat blootstelling aan het Herpes Simplex type 1 virus de geheugenfunctie beïnvloedt, ook als er geen psychiatrische stoornis aanwezig is.

Link naar het artikel via Pubmed

Overige (TRAILS en onderzoektechnieken): Boelema SR

Sarai R. Boelema, Zeena Harakeh, Johan Ormel, Catharina A. Hartman, Wilma A. M. Vollebergh, Martine J. E. van Zandvoort. Executive functioning shows differential maturation from early to late adolescence. Longitudinal findings from a TRAILS study. Neuropsychology, 2014, 28(2), 177-187

Wat was er al bekend over het onderwerp?

  • Cross-sectionale studies suggeren dat executieve functies (zoals aandacht en werkgeheugen) zich tot in de adolescentie ontwikkelen. Dit is nog niet longitudinaal onderzocht. Ook lijken de verschillende functies zich in een verschillend tempo te ontwikkelen en hebben geslacht en sociaal-economische status hier mogelijk invloed op.

Wat deze studie toevoegt:

  • Uit deze studie blijkt dat inderdaad alle functies zich significant ontwikkelen tussen de vroege en late adolescentie en dat de mate waarin dit gebeurt, verschilt tussen de functies.
  • Jongens ontwikkelen zich over het algemeen wat meer, waarschijnlijk hebben ze een kleine achterstand die ze tijdens de adolescentie inhalen. SES heeft alleen invloed op volgehouden aandacht, waarbij jongeren met een hoge SES een voorsprong opbouwen ten opzichte van de lagere groepen.
  • Meer kennis over normale ontwikkeling is belangrijk om een afwijkende ontwikkeling (bijvoorbeeld door middelengebruik) beter te begrijpen.

Link naar het artikel op Pubmed

Overige (TRAILS en onderzoektechnieken): Smink FRE

Smink, F.R.E., van Hoeken, D. Oldehinkel, A.J. & Hoek, H.W. Prevalence and severity of DSM-5 eating disorders in a community cohort of adolescents. International Journal of Eating Disorders 2014 Sep; 47: 610-619

Wat was al bekend over dit onderwerp

  • Eetstoornissen ontstaan meestal in de adolescentie.
  • In 2013 is een nieuw diagnostisch handboek voor de psychiatrie verschenen (de DSM-5), waarin de beschrijving van eetstoornissen aanzienlijk is aangepast.
  • Een probleem met de vorige versie van het handboek was dat de meerderheid van de patiënten met eetstoornissen in de categorie ‘eetstoornis niet anderszins omschreven’ viel.

Wat deze studie toevoegt

  • Deze studie geeft een beeld van de aard en omvang van eetstoornissen volgens de DSM-5 bij adolescenten in de algemene bevolking.
  • De meest voorkomende eetstoornissen in deze groep zijn anorexia nervosa en eetbuienstoornis (binge eating disorder).
  • Het merendeel van de eetstoornissen is tamelijk mild. Ernstige eetstoornissen worden vaker dan milde  behandeld in de (geestelijke) gezondheidszorg.

Link naar het artikel via Pubmed

Overige (TRAILS en onderzoektechnieken): Buunk AP

Buunk AP, Stulp G, Ormel J. Parental social status and intrasexual competitiveness among adolescents. Evol Psychol. 2014 Nov 17; 12(5):1022-37.

Wat was al bekend over dit onderwerp?

  • Hoewel bij de meeste diersoorten mannen intraseksueel competitiever zijn dan vrouwen, zijn er ook soorten waarbij vrouwen intraseksueel competitief zijn. Dit geldt vooral bij soorten waarbij de vrouw de primaire zorgverlener is, zoals mensen.
  • Mogelijk komt dit doordat mannen vroeger heel belangrijk waren voor levensonderhoud en veiligheid van vrouwen. Vrouwen moesten daardoor continu met elkaar concurreren om niet alleen de beste partner te krijgen, maar vooral om die ook te houden.
  • Geslachtsverschillen in intraseksuele competitie hangen ook samen met de sociale en economische status (SES): mannen trouwen wel met een lagere SES vrouw ("marry down"), vooral als ze mooi is, maar vrouwen zijn geneigd om een partner te kiezen met tenminste dezelfde SES ("marry up").
  • Er is weinig bekend of en hoe SES en geslacht de intraseksuele competitiviteit bij jongeren beïnvloeden.

Wat voegt deze studie toe?

  • Meisjes zijn intraseksueel competitiever als hun SES hoger is.. Bij jongens is het anders: jongens met lage SES zijn competitiever dan jongens met een gemiddelde SES en bijna even competitief als jongens met een hoge SES.
  • Alleen bij lage SES jongeren waren jongens intraseksueel competitiever dan meisjes. Deze bevindingen over intraseksuele competitie zijn mogelijk relevant voor professionals die met adolescenten en hun gezinnen werken, vooral bij hoge SES meisjes en lage SES jongens. 

Link naar het artikel op Pubmed

Overige (TRAILS en onderzoektechnieken): Burger H

Risk score for predicting adolescent mental health problems among children using parental report only. The TRAILS study. Acad Pediatrics 2014; 14: 589-596

Doelstelling
Een risicoscore opstellen wat betreft de kans op psychische gezondheidsproblemen bij adolescenten, alleen gebaseerd op gegevens van ouders en zonder potentieel stigmatiserende vragen wat betreft psychische gezondheid.

Methoden
We hebben op 16-jarige leeftijd een voorspellingsmodel voor psychische problemen afgeleid met behulp van door de moeder gerapporteerde gegevens, wat betreft 1676 kinderen van 11 jaar en ouder uit de algemene bevolking. Psychische problemen werden gedefinieerd als een score in de hoogste 15 procent op de gecombineerde Achenbach schalen. Het model werd gevalideerd in een afzonderlijk cohort (N = 336) van kinderen. Op basis van de uitkomsten werd een risicoscore geconstrueerd voor toepassing in de praktijk.

Resultaten
In het eerste cohort hadden 248 jongeren (14, 8%) psychische problemen bij de follow-up. Voorspellers in het uiteindelijke model waren geslacht, opleidingsniveau van de moeder, psychopathologie in de familie, prestaties voor wiskunde op school, vaak verhuizen, ernstige ziekte of overlijden in het gezin, echtscheiding van de ouders en mate van frustratie van het kind. Het model was goed gekalibreerd, vertoonde een goed onderscheidend vermogen (Area Under the Curve: 0,75 95% CI: 0,72 - 0,78) en had een goede validiteit. De risicoscore verdeelde kinderen in klassen met een risico variërend van 6,6 tot 52,2%.

Conclusies
Een risicoscore gebaseerd op alleen door ouders gerapporteerde gegevens en zonder items over psychische gezondheid schat nauwkeurig het vijfjaarlijkse risico op psychische problemen bij adolescenten uit de algemene bevolking. Kinderen met een hoog risico kunnen baat hebben bij verdere monitoring of interventies. De risicoscore kan met name geschikt zijn wanneer ouders een expliciete discussie over mogelijke psychische problemen van hun kind willen omzeilen.

Link naar het artikel via Pubmed