2011 › Trails

TRAILS

2011

Opvoeding en familiefactoren: Creemers H

Creemers H., Harakeh Z, Dick DM, Meyers J, Vollebergh WAM, Ormel J, Verhulst FC, Huizink AC. DRD2 and DRD4 in relation to regular alcohol and cannabis use among adolescents: Does parenting modify the impact of genetic vulnerability? The TRAILS study. Drug Alcohol Depend, 2011, 115(1-2):35-42.

Uit onderzoek komt naar voren dat genetische factoren een rol spelen bij het gaan gebruiken van middelen, bij het continueren van gebruik, en bij problematisch middelengebruik. Naast andere genen lijken DRD2 en DRD4, twee genen die het functioneren van het dopaminerge systeem beïnvloeden, samen te hangen met middelengebruik. Hoewel het bewijs hiervoor bij volwassenen redelijk consistent is, geldt dit niet bij adolescenten. Een reden hiervoor kan zijn dat bepaalde omgevingsfactoren, bijvoorbeeld opvoeding, de invloed van genetische kwetsbaarheid vergroten of verkleinen. Dit wordt ook wel genomgeving interactie genoemd. In huidig onderzoek wordt gekeken of DRD2 en DRD4 samenhangen met regelmatig gebruik van alcohol en cannabis, en of opvoeding invloed heeft op deze samenhang. Voor deze studie werd gebruik gemaakt van gegevens van 1192 TRAILS-jongeren over hun DNA, over hun opvoeding (de mate waarin ze zich rond hun 10-12de afgewezen of overbeschermd voelden, of waarin ze warmte ervoeren van hun ouders), en over hun middelengebruik op 15-18 jarige leeftijd. Regelmatig alcoholgebruik werd gedefinieerd als op tien of meer gelegenheden in de afgelopen vier weken. Regelmatig cannabisgebruik werd gedefinieerd als op vier of meer gelegenheden in de afgelopen vier weken. Uit de analyses kwam naar voren dat DRD2 en DRD4 niet samenhingen met het risico op regelmatig alcohol- en cannabisgebruik. Daarnaast waren jongeren met bepaalde varianten van deze genen niet kwetsbaarder voor de invloed van afwijzing of overbescherming door ouders, of van een gebrek aan emotionele warmte van ouders. Over het algemeen gold dat overbescherming de kans op regelmatig alcoholgebruik vergrootte, en dat de kans op regelmatig cannabisgebruik hoger was onder jongeren die zich afgewezen voelden, of die weinig warmte van hun ouders kregen. Deze laatste verbanden kunnen bijdragen aan de optimalisering van preventie- en interventiemethoden voor jongeren met problemen op het gebied van middelengebruik.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Opvoeding en familiefactoren: van Oort FVA

Van Oort F.V.A., Greaves-Lord K., Verhulst F.C., Ormel J., Huizink A.C. (2011) Risk indicators of anxiety throughout adolescence. The TRAILS study. Depression and Anxiety, Jun;28(6):485-94

Het doel van dit onderzoek was om risico indicatoren te vinden die afwijkingen van de gemiddelde angstontwikkeling tussen 10 en 17 jaar voorspellen. Dit is onderzocht in TRAILS, een grot onderzoek naar de ontwikkeling van 2220 adolescenten tot volwassenen. De risico indicatoren zijn gemeten op leeftijd 10-12 jaar en angstsymptomen zijn drie maal gemeten met een vragenlijst over de adolescentie. Verbanden zijn onderzocht d.m.v. met multilevel groeicurve analyses. Risico indicatoren bleken of alleen in de vroege adolescentie hogere angstniveaus te voorspellen (eigenwaarde, overbeschermende en afwijzende opvoedingstijl, en betrokken zijn bij pesten tegelijk met slachtoffer zijn van pesten). Andere risico indicatoren voorspelden hogere angstniveaus over de hele adolescentie: temperament, warmte gegeven door ouders, emotionele problemen van ouders en gepest worden. Sociaal-economische factoren en demografische factoren voorspelden angst niet. Na rekening houden met gelijktijdige ontwikkeling in depressie bleven dezelfde voorspellers belangrijk, al waren de verbanden wat zwakker. De risico indicatoren bleken weinig specifiek voor verschillende typen angst (gegeneraliseerde angst, separatie angst, sociale angst, paniek en obsessief compulsieve symptomen). We concluderen dat verscheidene kind, familie en peer factoren gemeten vlak voor adolescentie risico indicatoren zijn voor hoge angstniveaus. Sommigen slechts vroeg in de adolescentie, andere voor angst over de hele adolescentie.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Opvoeding en familiefactoren: Bakker MP

Bakker M.P., Ormel J., Verhulst F.C., Oldehinkel A.J. (2011). Adolescent Family Adversity and Mental Health Problems: The Role of Adaptive Self-regulation Capacities. The TRAILS Study. J Abnorm Child Psychol. 2011 Apr;39(3):341-50.

Opgroeien in een instabiele familie-omgeving hangt samen met emotionele en gedragsproblemen, maar niet voor iedere jongere in dezelfde mate. In deze studie hebben we onderzocht of jongeren met een groot zelf-regulerend vermogen en jongeren die snel hun aandacht kunnen switchen van de ene naar de andere situatie minder last hebben van een instabiele omgeving dan jongeren voor wie dat niet het geval is. Zelf-regulerend vermogen bleek inderdaad te beschermen tegen de effecten van een instabiele familie-omgeving, met name wat betreft de ontwikkeling van gedragsproblemen. Aandachtsflexibiliteit had deze beschermende kwaliteit niet.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Opvoeding en familiefactoren: Dick D

Dick D., Meyers J. L., Latendresse S. J., Creemers H. E., Lansford J. E., Pettit G. S., Bates J. E. , Dodge K. A., Budde J., Goate A., Buitelaar J. K., Ormel J., Verhulst F. C., Huizink A. C. (2011). CHRM2, Parental Monitoring, and Adolescent Externalizing Behavior: Evidence for Gene-Environment Interaction. Psychol Sci 2011 Apr 1;22(4):481-9.

Psychologen, met hun lange traditie in onderzoek doen naar werkingsmechanismen en processen, kunnen een belangrijke bijdrage leveren in het verder karakteriseren van hoe genen waarvan men weet dat ze een verhoogd risico voor psychiatrische stoornissen met zich mee brengen, tot zo’n verhoogd risico kunnen leiden. Wij rapporteren hier één zo’n mogelijk mechanisme, waarbij het gen CHRM2 verder werd onderzocht. CHRM2 codeert voor de cholinergische muscarine 2 receptor en was oorspronkelijk vooral interessant vanwege de samenhang met alcohol afhankelijkheid. In deze studie hebben we onderzocht of er een associatie was tussen CHRM2 en prospectief gemeten externaliserend gedrag in een longitudinaal, populatie cohort van adolescenten. Daarnaast onderzochten we of deze associatie gemodereerd werd door een specifiek aspect van opvoeding: ouderlijke monitoring van het gedrag van de adolescent. We vonden bewijs voor een interactie, waarbij de samenhang tussen het genotype en externaliserend gedrag sterker was in een omgeving waarbij er weinig ouderlijke monitoring was. Er was ook een aanwijzing voor een zogenaamd cross-over effect, waarbij het laagste niveau van externaliserend gedrag juist gevonden werd bij hetzelfde genotype als er extreem veel ouderlijke monitoring was. In het artikel worden de lastige kanten van het onderzoeken van dergelijke mechanismen verder bediscussieerd.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Opvoeding en familiefactoren: Ivanova K

Ivanova K., Mills M., Veenstra R. The Initiation of Dating in Adolescence: The Effect of Parental Divorce. The TRAILS study. Journal of Research on Adolescence, 2011, 21(4), 769 – 775

Dit artikel onderzoekt het effect van ouderlijke echtscheiding op de tijd die adolescenten nodig hebben om de overgang naar hun eerste romantische relatie te maken. Om dit effect te onderzoeken is er rekening gehouden met de effecten van individuele verschillen in temperament en lichamelijke ontwikkeling en de leeftijd van de adolescent ten tijde van de echtscheiding. De hypothesen zijn getest met event history analyse op een representatieve steekproef van 1487 Nederlandse adolescenten. De resultaten laten zien dat echtscheiding de overgang naar de eerste relaties versnelde, maar alleen wanneer de scheiding in de vroege adolescentie had plaats gevonden (tussen 11 en 13 jaar). De resultaten worden besproken in het licht van eerdere bevindingen dat stressoren die zich voordoen tijdens overgangsperioden (zoals de overgang naar adolescentie) sterkere effecten kunnen hebben op welzijn dan wanneer zij zich op een ander tijdstip voordoen.

Geen link naar Pubmed

Opvoeding en familiefactoren: Van der Jagt-Jelsma W

The relationship between parental religiosity and mental health of pre-adolescents in a community sample. The TRAILS study. Willeke van der Jagt-Jelsma, Margreet de Vries-Schot, Rint de Jong, Frank C. Verhulst, Johan Ormel, René Veenstra, Sophie Swinkels, Jan Buitelaar. Eur Child Adolesc Psychiatry (2011) 20:253-260

Wat was al bekend over dit onderwerp:

  • Bij volwassenen is aangetoond dat gelovig zijn in 72% van de groepen die onderzocht zijn, samengaat met een betere geestelijke gezondheid
  • Wanneer ouders het oneens zijn over de opvoeding, hebben kinderen meer kans op psychische en gedragsproblemen

Wat deze studie toevoegt:

  • Wanneer ouders van jongeren van 10-12 jaar het oneens zijn over het geloof, hebben de kinderen meer kans op psychische/gedragsproblemen
  • Met name de jongens rapporteren dan zelf meer agressie en delinquentie

 Link naar het artikel via PubMed