2010 › Trails

TRAILS

2010

Internaliserende en externaliserende problemen: Van der Hoorn AV

van der Hoorn A.V., Oldehinkel A.J., Ormel J., Bruggeman R., Uiterwaal C.S.P.M., Burger H. (2009) Non-right-handedness and mental health problems among adolescents from the general population: The Trails Study. Laterality 2010, 15(3):304-16.

Linkshandigheid wordt wel in verband gebracht met een verhoogde kans op psychosen. In deze studie is onderzocht of linkshandigheid specifiek is voor psychotische symptomen of ook samenhangt met andere psychische problemen in adolescenten. Hiervoor zijn gegevens van de tweede meting van TRAILS gebruikt, toen de deelnemers gemiddeld 13,5 jaar oud waren. Linkshandigheid werd onderzocht in relatie tot internaliserende (angst, depressie, somatische klachten), externaliserende (agressie en regelovertredend gedrag), sociale, aandacht- en denkproblemen. Denkproblemen waren opgesplitst in psychotische en niet-psychotische symptomen. In totaal was 14.3% van de adolescenten linkshandig. Gemiddeld hadden deze linkshandige adolescenten meer denk- en sociale problemen en vertoonden ze meer teruggetrokken/depressief gedrag. De associatie met denkproblemen was met name te wijten aan de psychotische symptomen. Concluderend kunnen we stellen dat linkshandigheid voornamelijk samenhangt met geassocieerd met psychotische en daaraan gerelateerde symptomen in de adolescentie.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Internaliserende en externaliserende problemen: Amone-P'Olak

Amone-P'Olak, K., Ormel J., Huisman M., Oldehinkel A.J., Burger H. (2009) Life stressors as mediators of the relation between socio-economic position and mental health problems in early adolescende.The TRAILS Study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry 48 2009, 48 (10):1031-1038.

Relatief lage sociaal-economische positie (SEP) is een belangrijke determinant van geestelijke problemen, ook bij adolescenten. Het is nog onvoldoende duidelijk welke factoren deze relatie mediëren. Kennis hierover kan de ontwikkeling van doelgerichte preventiestrategieën mogelijk maken. In dit onderzoek werd onderscheid gemaakt tussen twee typen stressvolle gebeurtenissen: omgevingsstressoren en persoonsgebonden stressoren. Omgevingsstressoren zijn stressvolle gebeurtenissen die hoogstwaarschijnlijk niet het gevolg zijn van gedragingen van de jongere, en/of buiten de controle liggen van de jongere (bijv. het overlijden van een van de ouders). Persoonsgebonden stressoren zijn stressvolle gebeurtenissen die mede het gevolg kunnen zijn van het gedrag van de jongere zelf (bijv. in aanraking komen met politie of justitie). In dit onderzoek werd gekeken wat de mate van mediatie van het verband tussen lage SEP en geestelijke problemen door genoemde stressoren was en in hoeverre deze verschilde tussen de twee typen stressoren. De resultaten lieten zien dat het vooral de omgevingsstressoren waren die mediëerden en niet zozeer persoonsgebonden stressoren. De mate van mediatie was overigens beperkt. Het verschil in de grootte van het mediatie tussen omgevingsstressoren en persoonsgebonden stressoren kan mogelijk verklaard worden doordat SEP de omgevingscontext bepaald waarin de jongere opgroeit. SEP is daardoor waarschijnlijk meer betrokken bij de blootstelling van jongeren aan omgevingsstressoren.
De conclusie van dit onderzoek is dat mediatie van het verband tussen lage SEP en psychische problemen bij adolescenten vooral omgevingsstressoren betreft en niet persoonsgebonden stressoren. Preventiestrategieën zouden zich vooral op de omgeving van de jongeren moeten richten maar de effecten ervan zullen bescheiden zijn.

Klik hier voor het artikel via PsycInfo

Internaliserende en externaliserende problemen: Jaspers M

Jaspers M., de Winter A.F., de Meer G., Stewart R.E., Verhulst F.C., Ormel J., Reijneveld S.A. Early Findings of Preventive Child Healthcare Professionals Predict Psychosocial Problems in Preadolescence: The TRAILS Study J Pediatr (2010);157:316-21

Psychosociale (gedrags- en emotionele) problemen van kinderen en adolescenten kunnen een zware last zijn voor kinderen, hun ouders en anderen in de omgeving. Er zijn nu voldoende aanwijzingen dat deze problemen soms al op vroege leeftijd beginnen, en daarna blijven terugkomen in de loop van het leven. De periode vanaf de conceptie tot de schoolleeftijd wordt beschouwd als uiterst belangrijk voor de sociaal- emotionele ontwikkeling van kinderen. Vroegtijdige opsporing en behandeling van deze problemen kan de prognose aanzienlijk verbeteren. Om emotionele en gedragsproblemen te voorkomen is het van belang om kwetsbare jongeren in een vroeg stadium te herkennen. Het doel van deze studie was dan ook om een voorspellingsmodel te ontwikkelen en te valideren voor psychosociale problemen bij kinderen op basis van gegevens over de vroege ontwikkeling die de de jeugdgezondheidszorg (JGZ) standaard verzamelt. De gegevens voor dit onderzoek betreffen 1692 jongeren die deelnemen aan het TRAILS onderzoek. Informatie over factoren in de vroege ontwikkeling (in de leeftijd tussen 0 tot 4 jaar) is verzameld uit de JGZ-dossiers van deze jongeren. Ouders vulden op de leeftijd van 11 jaar de Child Behavior Checklist (CBCL) over hun kind in. De voorspellende waarde van de door de JGZ geregistreerde factoren voor deze CBCL score werd vervolgens nagegaan met logistische regressieanalyses, in een deel van deze groep jongeren (n = 1058). De voorspellende waarde van deze modellen werd vervolgens beoordeeld in een validatie steekproef (n = 643), op basis van de oppervlakte onder de curve (AUC) van de voorspelling.
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat gedragsproblemen van kinderen te voorspellen zijn door de volgende door de JGZ in de leeftijd 0-4 jaar geregistreerde factoren: gedragsproblemen, aandacht/hyperactiviteitsproblemen, bedplassen, een laag opleidingsniveau van de vader en geslacht (jongen zijn). Emotionele problemen worden voorspeld door roken van de moeder tijdens de zwangerschap, slaapproblemen en geslacht (jongen zijn). Het model voor gedragsmatige problemen had een bescheiden voorspellend vermogen (AUC 0.66, 95% betrouwbaarheids-interval 0.59 tot 0.72).Voor emotionele problemen was de AUC 0.54 (95% betrouwbaarheidsinterval 0.47-0.60), dit is een slecht voorspellend vermogen.
Concluderend kan gesteld worden dat bevindingen over de vroege ontwikkeling zoals geregistreerd door de JGZ beperkt voorspellend zijn voor gedragsmatige problemen bij jongeren van 11 jaar, maar eigenlijk niet voorspellend zijn voor emotionele problemen bij deze jongeren.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Internaliserende en externaliserende problemen: Bakker MP

Bakker M.P., Ormel J., Verhulst F.C., Oldehinkel A.J.
Peer stressors and gender differences in adolescents’ mental health. The TRAILS study. Journal of Adolescent Health 46 (2010) 444–450

De geestelijke gezondheid van adolescenten wordt waarschijnlijk aangetast wanneer zij buiten de groep vallen en worden afgewezen of wanneer ze relaties verliezen. In deze studie richten we ons daarom op twee typen stressvolle gebeurtenissen met leeftijdsgenoten, namelijk peer victimization op school (slachtoffer zijn van: pesten, roddel, geweld en seksuele intimidatie) en relatieverliezen (een goede vriend(in) kwijtraken en/of een intieme partner kwijtraken). De behoefte om ergens bij te horen wordt gezien als een universeel doel dat alle mensen nastreven. Het ‘sociale context perspectief’ veronderstelt dat jongens en meisjes deze behoefte in verschillende sociale contexten nastreven; jongens zoeken het meer in de grotere sociale groep door de competitie aan te gaan voor status, terwijl meisjes het zoeken in intimiteit en verbondenheid binnen hechte één-op-één relaties. Onderzoek heeft aangetoond dat over het algemeen meerdere leeftijdsgenoten betrokken zijn bij peer victimization op school. Daarnaast is het hoogstwaarschijnlijk dat slachtoffers van pestgedrag door leeftijdsgenoten een lage status positie hebben op school. Relatieverliezen van hechte vriendschappen en intieme relaties is kenmerkend voor stress in één-op-één relaties. Op basis van het idee dat jongens gevoeliger zijn voor gebeurtenissens in de grotere sociale groep en meisje voor gebeurtenissen in hechte relaties, is de eerste hypothese dat jongens meer internaliserende- en externaliserende problemen ervaren door peer victimization en dat meisjes meer psychopathologie ervaren door relatieverliezen. De tweede hypothese is gebaseerd op een alternatieve theorie, namelijk dat jongens en meisjes stress mogelijk op een andere manier uiten. Op basis van dit idee zouden meisjes een sterkere neiging hebben om te reageren op stress met internaliserende problemen, terwijl jongens een sterkere neiging hebben om te reageren op stress met externaliserend gedrag. De tweede hypothese is daarom dat zowel peer victimization als relatieverliezen meer internaliserende problemen tot gevolg hebben bij meisjes en externaliserende problemen bij jongens.
Relatieverliezen waren geassocieerd met zowel internaliserende problemen als externaliserende problemen bij meisjes. Jongens, daarentegen, ontwikkelden geen psychopathologie na het meemaken van relatieverliezen. Peer victimization op school leidde tot internaliserende problemen en externaliserende problemen, bij jongens zowel als bij meisjes. De resultaten suggereren dat relatieverliezen van leeftijdsgenoten mogelijk een sterker negatief effect hebben op meisjes dan jongens in de vroege adolescentie. Het effect van relatieverlies (van romantische partners) op jongens kan wellicht sterker zijn in een oudere steekproef. Het lijkt erop dat peer victimization op school een belangrijke stressor is voor zowel jongens als meisjes. Ook rapporteerden meer meisjes dan jongens slachtoffer te zijn geweest van pestgedrag door leeftijdsgenoten. Dit kan erop wijzen dat meisjes een hoger risico lopen op peer victimization tijdens de vroege adolescentie. Onze resultaten bevestigen het standpunt dat er meer aandacht moet worden besteed aan de blootstelling van meisjes aan peer victimization op school.
De resultaten ondersteunden gedeeltelijk onze eerste hypothese, terwijl de tweede hypothese in zijn geheel niet werd bevestigd. Het is niet waarschijnlijk dat stress met leeftijdsgenoten leidt tot verschillende typen psychopathologie bij jongens en meisjes. Het is waarschijnlijker dat jongens en meisjes gevoelig zijn voor verschillende typen stressvolle gebeurtenissen tijdens de vroege adolescentie.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Internaliserende en externaliserende problemen: Huisman M

Huisman, M., Araya, R., Lawlor, D.A., Ormel, J., Verhulst, F.C., Oldehinkel, A. (2010) Cognitive ability, parental socioeconomic position and internalising and externalising problems in adolescence: Findings from two European cohort studies. Eur J Epidemiol (2010) 25:569–580

Doel van dit onderzoek was na te gaan of cognitieve vaardigheid van adolescenten een moderator is van de relatie tussen de sociaal-economische positie (SEP) van der ouders en internaliserende en externaliserende problemen bij de adolescenten. De hypothese was dat een hogere mate van cognitieve vaardigheid bescherming zou kunnen bieden tegen het verhoogde risico op de ontwikkeling van deze problemen bij adolescenten uit gezinnen met een lage SEP. Om dit te onderzoeken hebben we gegevens gebruikt van twee Europese langlopende studies: de Avon Longitudinal Study of Parents and Children (ALSPAC) en TRAILS. We gebruikten gegevens van twee studies om onze hypothese extra grondig te toetsen. Immers, wanneer vergelijkbare resultaten worden gevonden in meerdere kwalitatief goede studies wordt de bewijslast voor of tegen een hypothese groter. Cognitieve vaardigheid werd in beide studies gemeten door middel van het IQ van de adolescenten, en als indicatoren voor SEP werd in beide studies opleidingsniveau van de moeder en het huishoudelijk inkomen gebruikt. De resultaten gaven aan dat er in beide studies een verband was tussen het ouderlijk SEP en internaliserende en externaliserende problemen bij adolescenten. Echter, we vonden geen bewijs dat onze hypothese correct was: er bleek geen interactie effect te zijn van cognitieve vaardigheid en ouderlijk SEP op de mate van problemen bij de adolescenten. Dit betekent dat een hogere cognitieve vaardigheid geen extra bescherming biedt tegen het ontwikkelen van deze problemen bij adolescenten waarvan de ouders een lage SEP hebben.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Internaliserende en externaliserende problemen: Sentse M

Sentse M., Lindenberg S., Omvlee A., Ormel J., Veenstra R. (2010). Rejection and Acceptance across Contexts: Parents and Peers as Risks and Buffers for Early Adolescent Psychopathology. The TRAILS Study. Journal of Abnormal Child Psychology. 38, issue 1, 119-130

In het TRAILS bestand van wave 1 en wave 2 (1023 jongeren van gemiddeld 13.5 jaar oud, waarvan 55% meisjes) is onderzocht of de effecten van afwijzing en acceptatie door ouders en leeftijdgenoten op gedragsproblemen in de adolescentie blijven bestaan wanneer deze tegelijkertijd bekeken worden. Daarnaast hebben we gekeken of acceptatie in de ene context (bijv. ouders) kan bufferen voor afwijzing in de andere context (bijv. leeftijdgenoten). We vonden, wanneer we keken naar al deze effecten tegelijkertijd, dat (1) het beschermende effect van acceptatie door ouders en het risico-effect van afwijzing door leeftijdgenoten verdwenen, (2) het beschermende effect van acceptatie door leeftijdgenoten en het risico-effect van afwijzing door ouders sterk bleven en (3) acceptatie door leeftijdgenoten gedeeltelijk kon bufferen voor afwijzing door ouders (n.b. dit laatste effect bleef desondanks sterk gerelateerd aan gedragsproblemen). Deze resultaten impliceren dat de contexten bestaande uit ouders en leeftijdgenoten met elkaar in verband staan en effecten van deze contexten van elkaar afhankelijk zijn.

Klik hier voor het artikel via Pubmed