2012 › Trails

TRAILS

2012

Depressie: Monshouwer K

Monshouwer K., Smit F., Ruiter M., Ormel J., Verhulst F.C. , Vollebergh W.A.M., Oldehinkel A.J. (2012), Identifying target groups for the prevention of depression in early adolescence: the TRAILS study. Journal of Affective Disorders 138 (2012) 287–294

Achtergrond: Depressie in de adolescentie hangt samen met negatieve uitkomsten in het latere leven. Het doel van de huidige studie is om groepen te identificeren die een verhoogde kans hebben op depressie in de vroege adolescentie en waarbij preventie met een zo groot mogelijke gezondheidswinst gepaard gaat, tegen een zo gering mogelijke inspanning. Methode: De analyses zijn uitgevoerd op data van de eerste (leeftijd 10-12 jaar) en vierde (leeftijd 17-20 jaar) meting van een longitudinale populatie studie (N=1538 respondenten). Het meetinstrument 'The Composite International Diagnostic Interview' (CIDI) is gebruikt om de incidentie van depressie in de vroege adolescentie vast te stellen. Hoog risico groepen werden geïdentificeerd met behulp van drie epidemiologische maten: blootstelling aan de risicofactor ('exposure rate'), mate waarin de factor het risico op de incidentie verhoogt ('incidence rate ratio'), en bijdrage van de factor aan het vóórkomen van de ziekte (in dit geval depressie) in de populatie ('population attributable fraction'). Resultaten: Preventie van depressie in de vroege adolescentie kan het best gericht worden op kinderen met een van de volgende risico profielen: overgewicht (hoge BMI), in combinatie met (1) een moeder die depressief is of dat is geweest, (2), vrouwelijk geslacht, (3) emotionele afwijzing door de ouders. Beperkingen: Leeftijd van een eerste depressieve episode is retrospectief gemeten. Conclusies: Slechts een paar risico indicatoren zijn nodig om een relatief kleine groep te identificeren, die een substantieel deel van de nieuwe depressie gevallen in de adolescentie vertegenwoordigd.

Klik hier voor het artikel via Pubmed

Depressie: Stavrakakis N

Stavrakakis N., P. de Jonge, J. Ormel, A.J. Oldehinkel (2012). Bidirectional Prospective Associations between Physical Activity and Depressive Symptoms. The TRAILS study. Journal of Adolescent Health 2012; 50:503-8

Purpose: Low levels of physical activity have been shown to be associated with depression in adults. The few studies that focused on adolescents yielded mixed and inconsistent results. Efforts to examine the direction of this relationship have been inconclusive up to now. The aims of this study were therefore to investigate (1) the direction of the inverse association between physical activity and depressive symptoms over time and (2) whether these associations are specific to particular clusters of depressive symptoms in adolescents. Methods: Depressive symptoms and physical activity were assessed in a population sample of adolescents (N=2230), who were measured at three waves between age 10 and age 17. Depressive symptoms were measured by the Affective Problems scale of the Youth Self-Report (YSR) and Child Behavior Checklist (CBCL), while physical activity was operationalized as the amount of time spent on physical exercise. Structural Equation Modeling was used to examine bidirectional effects of physical activity and depressive symptoms over time. Results: We found significant cross-lagged paths from prior physical activity to later depression as well as from prior depression to later physical activity (beta values= -.039 to -.047). After subdividing depression into affective and somatic symptoms, the affective symptoms were reciprocally related to physical activity, while the paths between somatic symptoms and physical activity did not reach statistical significance. Conclusions: An inverse bidirectional association between physical activity and general depressive symptoms was observed. This association was restricted to affective symptoms.

Introductie: In volwassenen blijkt fysieke inactiviteit geassocieerd te zijn met depressie. De weinige studies die zich op adolescenten concentreerden leverden gemengde en inconsistente resultaten op. Bovendien is er nog weinig overtuigend onderzoek gedaan naar de richting van deze relatie. Doel van het huidige onderzoek is 1) de richting van de negatieve prospectieve relatie tussen fysieke activiteit en depressieve symptomen te bepalen en 2) te onderzoeken of deze relatie in het bijzonder geldt voor bepaalde clusters van depressieve symptomen in adolescenten. Methoden: Het onderzoek is uitgevoerd in een grote groep adolescenten (N=2230) die tussen hun 10e en 17e jaar eens per twee jaar zijn gemeten (drie maal in totaal). Depressieve symptomen zijn gemeten met de Affective Problems schaal van de Youth Self Report (YSR) en de Child Behavior Checklist (CBCL). De hoeveelheid tijd besteed aan fysieke activiteit werd gebruikt als maat voor fysieke activiteit. Structural Equation Modeling (SEM) werd gebruikt om de prospectieve biderectionele relatie tussen depressieve symptomen en fysieke activiteit te onderzoeken. Resultaten: We hebben significante prospectieve relaties van fysieke activiteit naar depressieve symptomen gevonden en van depressieve symptomen naar fysieke activiteit (beta’s = -.039 tot -.047). Na de symptomen in een affectief en somatisch cluster te hebben opgedeeld, bleek fysieke activiteit met de affectieve symptomen geassocieerd, maar niet met de somatische symptomen. Conclusie: Een bidirectionele negatieve relatie tussen fysieke activiteit en depressieve symptomen werd gevonden. Deze relatie bleek in het bijzonder te gelden voor affectieve symptomen.

Click here for the article on Pubmed

Depressie: Verbeek T

Verbeek, T., Bockting, C.L., van Pampus, M.G., Ormel, J., Meijer, J.L., Hartman, C.A., Burger, H. Postpartum depression predicts offspring mental health problems in adolescence independently of parental lifetime psychopathology. J Affect Disord. 2012 Feb;136(3):948-54.

Wat was al bekend over dit onderwerp:

  • Postnatale depressie komt veel voor en vergroot de kans op gezondheidsproblemen bij het kind en problemen in diens psychosociale ontwikkeling.
  • Voor dit verband bestaan verschillende verklaringen, waaronder een gedeelde erfelijke kwetsbaarheid, stress tijdens en een verminderde hechting na de zwangerschap en psychische aandoeningen bij een van de ouders na de postnatale periode.
  • Het is nog onbekend welke problemen in de psychosociale ontwikkeling met name voorkomen na een postnatale depressie; gaat het om emotionele problemen of om gedragsproblemen? Ook is onbekend of deze problemen nog bestaan tijdens de puberteit.

Wat deze studie toevoegt:

  • Het verband tussen postnatale depressie en emotionele problemen bij het kind is tot in de puberteit meetbaar. Dit geldt niet voor gedragsproblematiek.
  • Psychische aandoeningen bij de ouders buiten de postnatale periode verklaren dit verband niet, wat suggereert dat dit een direct effect is van de postnatale depressie.
  • Als dit een rechtstreeks effect blijkt te zijn, zou de behandeling van postnatale depressie emotionele problemen bij kinderen tot in de puberteit kunnen voorkomen.

Link naar het artikel op Pubmed

Depressie: Van Deurzen PAM

Van Deurzen, P.A.M., Buitelaar, J.K., Brunnekreef, J.A., Ormel, J., Minderaa, R.B., Hartman, C.A., Huizink, A.C., Speckens, A.E.M., Oldehinkel, A.J. & Slaats-Willemse, D.I.E. Response time variability and response inhibition predict affective problems in adolescent girls, not in boys: the TRAILS study. European Child and Adolescent Psychiatry 2012 21:5, 277-287

Wat was al bekend over dit onderwerp:

  • Bij een depressie komen affectieve problemen en informatieverwerkingsproblemen vaak samen voor.
  • Volwassenen en adolescenten met een klinische depressie laten informatieverwerkingsproblemen zien in de aandacht, het executief functioneren, in het kortetermijngeheugen en het werkgeheugen, en in de psychomotorische snelheid.

Wat deze studie toevoegt:

  • Bij jonge adolescente meisjes zien we al bij lichte affectieve problemen een verslechtering in de informatieverwerking. Dit vinden we niet bij jongens.
  • Meer variatie in de responstijd en minder responsinhibitie in de vroege adolescentie zijn voorspellers van een toename van affectieve problemen later in de adolescentie. Dit is slechts het geval bij meisjes, niet bij jongens.

Link naar het artikel op Pubmed