2008 › Trails

TRAILS

2008

Antisociaal gedrag en externaliserende problemen: Marsman R

Marsman, R., Swinkels, S. H. N., Rosmalen, J. G. M., Oldehinkel, A. J., Ormel, J., & Buitelaar, J. K. (2008). HPA-axis activity and externalizing behavior problems in early adolescents from the general population: The role of comorbidity and gender - The TRAILS study. Psychoneuroendocrinology, 33, 789-798.

Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de relatie tussen externaliserend probleemgedrag (bijv. agressie, delinquentie) en cortisol, een stress-hormoon dat over het algemeen een stijging laat zien in het eerste half uur na het wakker worden. Onduidelijkheid over de relatie tussen externaliserend probleemgedrag en cortisol is mogelijk te wijten aan het feit dat eerdere studies weinig of geen rekening hielden met bijkomend internaliserend probleemgedrag (bijv. depressie, angst) en niet keken naar geslachtsverschillen.
Tijdens de eerste meting van TRAILS, toen de deelnemers 10 tot 12 jaar oud waren, hebben deelnemers direct na het wakker worden en een half uur na het wakker worden speeksel verzameld door middel van een salivette (een soort van wattenstaafje), waaruit de hoeveelheid cortisol worden bepaald. Verder werden de deelnemers op basis van vragenlijsten (door zowel deelnemer zelf als door de ouder) ingedeeld in 4 groepen: (1) Controlegroep (jongeren zonder gedragsproblemen), (2) Zuiver externaliserende groep (wel externaliserende gedragsproblemen, maar geen internaliserende gedragsproblemen), (3) Zuiver internaliserende groep (wel internaliserende gedragsproblemen, maar geen externaliserende gedragsproblemen), (4) Comorbide groep (zowel externaliserende als internaliserende gedragsproblemen).
Wij vonden dat meisjes met zuiver externaliserend probleemgedrag meer totale cortisol en een hogere stijging in cortisol hebben in het eerste half uur na het wakker worden in vergelijking met jongens met zuiver externaliserend probleemgedrag. Bovendien vonden we dat meisjes met zuiver externaliserend probleemgedrag een grotere stijging in cortisol hebben in het eerste half uur na het wakker worden in vergelijking met meisjes zonder gedragsproblemen en meisjes met zowel externaliserende als internaliserende gedragsproblemen. Meisjes met zuiver externaliserende gedragsproblemen vertonen dus een uniek patroon als het gaat om hun cortisol levels na het wakker worden. Er is meer onderzoek nodig om na te gaan of er nog meer factoren zijn die de relatie tussen externaliserend probleemgedrag en cortisol kunnen beïnvloeden.

Klik hier voor het artikel via Pubmed.

Antisociaal gedrag en externaliserende problemen: Sondeijker FEPL

Sondeijker, F. E. P. L., Ferdinand, R. F., Oldehinkel, A. J., Tiemeier, H., Ormel, J., & Verhulst, F. C. (2008). HPA-axis activity as a predictor of future disruptive behaviors in young adolescents. Psychophysiology, 45, 398-404.

Klik hier voor het artikel via Pubmed.

Antisociaal gedrag en externaliserende problemen: Veenstra R

Veenstra R., Lindenberg S., Oldehinkel A.J., de Winter A.F., Verhulst F.C., Ormel J. (2008) Prosocial and Antisocial Behavior in Preadolescence:Teachers and Parents’ Perceptions of the Behavior of Girls and Boys. International Journal of Behavioral Development, 32, 243-251.

  • Als leerkrachten of ouders zeggen dat een kind prosociaal gedrag vertoont, hoe waarschijnlijk is het dan dat ze vinden dat dat kind zich ook antisociaal gedraagt? Is het mogelijk dat kinderen door leerkrachten als prosociaal maar door ouders als antisociaal worden gezien en vice versa? Gedragen kinderen zich per context verschillend of worden ze verschillend beoordeeld op school en thuis? Wat bepaalt dat leerkrachten of ouders een kind pro- of antisociaal vinden? Dergelijke vragen staan central in dit artikel en kunnen alleen maar worden gesteld wanneer er tegelijkertijd naar pro- en antisociaal gedrag wordt gekeken.
  • Met ouders en leerkrachten als informanten werden zes clusters onderscheiden op basis van iteratieve clusteranalyse. We vergeleken de verschillende configuraties van pro- en antisociaal gedrag. Voor veel kinderen kwamen de oordelen van ouders en leerkrachten over pro- en antisociaal gedrag overeen. Voor sommigen liep het oordeel echter uiteen. Naar verwachting vonden we dat sommige kinderen zich in verschillende contexten verschillend gedroegen of ten minste verschillend werden beoordeeld door de informanten.
  • Als leerkrachten en ouders overeenstemmen in hun oordeel over pro- en antisociaal gedrag dat de scores van die kinderen extremer zijn op aspecten als zelfcontrole, intelligentie en schoolprestaties. De configuraties die als prosociaal dan wel antisociaal werden gezien door zowel leerkrachten als ouders stonden gelijk aan respectievelijk goed en slecht toegerust. Het prosociale cluster had het hoogste niveau van zelfcontrole, intelligentie, en schoolse prestaties en had te maken met de laagste niveaus van verwerping en opvoedingsstress. Voor het antisociale cluster gold op al die kenmerken het tegenovergestelde. Dat cluster herbergt jongeren die het risico lopen om qua antisociaal gedrag levenslooppersistent te zijn.
  • Onze data wijzen erop dat ouders kinderen eerder als antisociaal zien als ze door die kinderen veel opvoedingsstress ervaren. Dezelfde kinderen worden heel anders gezien door de leerkrachten, voor wie intelligentie en schoolse prestaties belangrijke criteria lijken bij de afweging of iemand als pro- of antisociaal moet worden beoordeeld.

Klik hier voor het artikel via Pubmed