Nieuwsarchief › Trails

TRAILS

Nieuwsarchief

Februari 2017. Prestigieuze NWO beurs voor Prof. Ute Bültmann

Twee topwetenschappers van het UMCG, waaronder TRAILS onderzoeker Ute Bültmann, krijgen ieder anderhalf miljoen euro om de komende vijf jaar onderzoek te doen en een onderzoeksgroep op te bouwen. Zij ontvangen beiden een Vici-beurs uit de Vernieuwingsimpuls van NWO. Vici is een van de grootste persoonsgebonden wetenschappelijke premies van Nederland.

Ute Bültmann is hoogleraar Arbeid en Gezondheid, in het bijzonder vanuit een epidemiologisch levensloopperspectief, bij de afdeling Gezondheidswetenschappen van het Universitair Medisch Centrum Groningen, tevens Rosalind Franklin Fellow. Ute over haar onderzoek: "jonge werkenden hebben te maken met veranderend werk en een veranderende arbeidsmarkt. Een gezond werkleven is belangrijk voor het individu en de maatschappij. Wij bestuderen de relatie tussen psychische gezondheid en werk vanuit een levensloopperspectief. De resultaten kunnen helpen jongeren te ondersteunen bij het krijgen en behouden van werk".

NWO selecteert de Vici-laureaten op basis van de kwaliteit van de onderzoeker, het innovatief karakter en wetenschappelijke impact van het onderzoeksvoorstel en kennisbenutting. Vici is bestemd voor ‘excellente, ervaren onderzoekers die met succes een vernieuwende onderzoekslijn hebben ontwikkeld en daarmee een vooraanstaande positie innemen op nationaal en internationaal niveau’, aldus NWO. Bron: nieuwsbericht NWO.

Februari 2017. Prijs beste proefschrift voor TRAILS onderzoeker Sanne Booij

TRAILS onderzoeker Sanne Booij promoveerde in november 2015 op het onderwerp "Dynamics of the human stress system in depression, a combined population- and person-based approach to assess long-term changes and daily life fluctuations". Op 16 februari 2017 ontving ze van de onderzoeksschool Behavioral and Cognitive Neurosciences (BCN) van de Rijksuniversiteit Groningen, de prijs voor beste proefschrift van het academische jaar 2015/2016 alsmede de prijs voor beste lekensamenvatting.

September 2016. Sterke daling van eetstoornis boulimia in Nederland

De afgelopen dertig jaar is het aantal nieuwe gevallen van Boulimia nervosa sterk afgenomen. Het aantal nieuwe gevallen van Anorexia nervosa daarentegen blijft stabiel. Mogelijke verklaring is dat boulimia gevoeliger is voor socioculturele veranderingen zoals een toename van overgewicht in de samenleving. Dat blijkt uit onderzoek van psychiater Frédérique Smink, waarop zij op 28 september promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen. Verder constateert zij dat er goed uitzien als jonge adolescent (11-13) beschermt tegen latere eetproblemen. Aardig gevonden worden door veel klasgenoten kwam juist naar voren als een voorspeller.

April 2016. Slaapproblemen bij jongvolwassenen leiden later tot pijn

Slaapproblemen kunnen bij sommige groepen jongvolwassenen een voorbode zijn van chronische pijn en verergering van pijn jaren later. Omgekeerd is pijn over het algemeen geen voorbode van een verergering van slaapproblemen tijdens de overgang van adolescentie naar jongvolwassenheid. Dit blijkt uit een onderzoek dat arts en promovenda Irma Bonvanie van het UMCG uitvoerde onder 1750 jonge Nederlandse mannen en vrouwen tussen de 19 en 22 jaar oud. Zij publiceert hierover in het wetenschappelijk magazine Pain.

In haar onderzoek ging Bonvanie het verband na tussen slaapproblemen en verschillende soorten pijn bij mannen en vrouwen; zij ging ook na of angst en depressie, vermoeidheid en fysieke inactiviteit dit verband konden verklaren. Zij volgde de deelnemers drie jaar lang en richtte zich op algehele chronische pijn en drie specifieke soorten pijn: spier- en gewrichtspijn, hoofdpijn en buikpijn.

Uit haar onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de jongeren die tijdens de eerste meting slaapproblemen hadden, daar drie jaar later nog steeds last van had. Deelnemers die bij aanvang slaapproblemen hadden, hadden bovendien een grotere kans op nieuwe en aanhoudende chronische pijn en meer last van spier- en gewrichtspijn drie jaar later. Van deelnemers met ernstige slaapproblemen, had 38 procent last van chronische pijn, vergeleken met 14 procent van de deelnemers die geen slaapproblemen hadden.

Het verband tussen slaapproblemen en pijn was sterker bij vrouwen dan bij mannen. Dat slaapproblemen spierpijnen verergerden werd voor een klein deel verklaard door toegenomen vermoeidheid. Angst/depressie en gebrek aan fysieke activiteit waren geen verklaring voor de door slaapproblemen veroorzaakte verergering van de pijn.

Het nieuwe onderzoek toont aan dat slaapproblemen significant verband houden met chronische pijn en specifieke pijnproblemen bij jongvolwassenen. ‘De jongvolwassen levensfase kenmerkt zich door psychosociale veranderingen en veranderingen in het gedrag, zoals veranderende slaappatronen. Uit onze bevindingen blijkt dat slaapproblemen niet alleen een voorbode zijn voor pijn, maar ook het aanhouden van chronische pijn en de pijnernst voorspellen’, aldus Bonvanie. Zij denkt dat een vroege diagnose en behandeling van slaapproblemen kan helpen om latere problemen met pijn te verminderen in bepaalde groepen opgroeiende jongeren. ‘Onze bevindingen laten zien dat slaapproblemen een extra aandachtspunt kunnen zijn in de behandeling en preventie van chronische pijn en spier- en gewrichtspijn bij jongvolwassen vrouwen.’ Bron: persbericht UMCG.

September 2015. Artikel in het NTvG. Leefstijl en psychosociale gezondheid bij adolescenten.

Leefstijl en psychosociale gezondheid bij adolescenten. Een extra contactmoment in de jeugdgezondheidszorg. Een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG). Van Lotte van Steijn, Andrea F. de Winter en S.A. (Menno) Reijneveld.

Doel van het onderzoek is kennis verwerven over de aard, het vóórkomen en de opstapeling van risicogedragingen en psychosociale gezondheidsproblemen bij adolescenten, en over mogelijke interventies die daarop gericht zijn met als opzet analyse van dwarsdoorsnedes uit een cohortonderzoek, en literatuuronderzoek.

Met gegevens uit het prospectieve ‘Tracking adolescents’ individual lifes’ survey’(TRAILS)-onderzoek (n = 2230) berekenden we de prevalenties van risicogedragingen en psychosociale gezondheidsproblemen op de leeftijd van 13 en 16 jaar. In systematische reviews zochten we naar effectieve preventieve interventies.

Risicogedragingen kwamen veel voor bij adolescenten, zoals onvoldoende consumptie van fruit en groente, en niet ontbijten. Bij 13-jarigen was de prevalentie van overgewicht 11,0%; deze steeg naar 15,0% bij 16-jarigen. Het percentage jongeren dat ooit had gerookt steeg van 36,3 naar 55,7, en het percentage jongeren dat ooit alcohol had gedronken nam toe van 74,0 naar 92,3. De meeste prevalenties van risicogedragingen waren hoger bij jongeren die een lager onderwijsniveau volgden en bij jongeren van wie beide ouders lager waren opgeleid. Deze adolescenten hadden ook vaker ≥ 5 risicogedragingen of psychosociale problemen. De prevalentie van depressieve klachten steeg van 5,5% bij 13-jarigen naar 8,4% bij 16-jarigen. Het literatuuronderzoek toonde dat vooral collectieve, al dan niet meervoudige interventies effectief kunnen zijn in de preventie van een risicovolle leefstijl en overgewicht. Voor psychosociale problemen was zowel geïndiceerde preventie als collectieve preventie effectief.

Conclusie van het onderzoek: in de adolescentie nemen de prevalentie en opstapeling van risicogedragingen en psychosociale gezondheidsproblemen toe. De risico’s hierop zijn groter bij jongeren die een lager onderwijsniveau volgen; bij deze groep is goede monitoring extra belangrijk.

Juni 2015. Interview met TRAILS hoofdonderzoeker Tineke Oldehinkel

Tineke Oldehinkel is hoogleraar Levensloopepidemiologie van veelvoorkomende psychiatrische stoornissen in het UMCG. In het onderzoeksprogramma TRAILS volgen zij en haar collega’s ruim 2500 jongeren in Noord-Nederland. In het tijdschrift Kind & Adolescent Praktijk (uitgave 2/2015) wordt zij geïnterviewd door Linda Verhaak (klinisch psycholoog en psychotherapeut, werkzaam bij Equator  Foundation). De foto’s zijn van Aleid Denier van der Gon.
Tineke Oldehinkel vertelt bevlogen over haar werk als hoofdonderzoeker van TRAILS. Over opmerkelijke bevindingen en multidisciplinaire samenwerking. Over verwachtingen en implicaties van dit onderzoek. Ook vertelt zij over TRAILS Next, het nieuwe onderzoek bij TRAILS met jongvolwassenen die vader of moeder worden.

April 2015. Frédérique Smink onderscheiden met prestigieuze Award

Tijdens het jaarlijkse congres van de Academy for Eating Disorders (AED) eind april in Boston heeft Frédérique Smink, psychiater bij PsyQ Angststoornissen, de Early Career Investigator Award for Best Paper Published in 2014 ontvangen.

De prijs werd toegekend voor haar publicatie in het septembernummer van International Journal of Eating Disorders (IJED), getiteld Prevalence and Severity of DSM-5 Eating Disorders in a Community Cohort of Adolescents.

De publicatie maakt deel uit van Frédérique’s promotieonderzoek naar de epidemiologie van eetstoornissen. Bovengenoemd artikel is onderdeel van de TRAILS-studie (Tracking Adolescents’ Individual Lives Survey), een langlopend, multidisciplinair onderzoek naar de psychische, sociale en lichamelijke ontwikkeling van kinderen op weg naar de volwassenheid. Sinds 2001 doen ruim 2200 jongeren in Noord-Nederland mee, al vanaf hun elfde jaar. Collega’s Daphne van Hoeken en Wijbrand Hoek van de Parnassia Academie waren ook bij deze publicatie betrokken.

Frédérique ontving de prijs uit handen van voormalig AED president Anne Becker, psychiater en hoogleraar aan Harvard Medical School. De prijs wordt jaarlijks toegekend aan een jonge onderzoeker op het gebied van eetstoornissen.

Maart 2015. Studie naar welke omgevingsfactoren neuroticisme voorspellen

Stressvolle en onvoorspelbare levensgebeurtenissen, vooral sociale stress en conflicten, kunnen ervoor zorgen dat mensen een hoger niveau van neuroticisme (emotionele instabiliteit) ontwikkelen. Bertus Jeronimus stelt dat op basis van onderzoek naar de relatie tussen omgevingsinvloeden en neuroticisme. Er is ook goed nieuws: positieve levensveranderingen kunnen lijden tot een afname van neuroticisme. Jeronimus concludeert dat het neuroticisme-niveau van mensen veel veranderlijker is dan lang werd gedacht. Op 16 maart promoveert hij op het proefschrift 'Environmental influences on neuroticism. A story about emotional (in)stability'.

Maart 2015. Lichamelijke beweging kan depressie niet voorkomen

Voldoende lichaamsbeweging geeft geen garantie dat jongeren geen depressie ontwikkelen. Wel kan aan een depressieve periode een periode van minder lichamelijke activiteit voorafgaan en worden jongeren met depressieve symptomen gemiddeld lichamelijk minder actief. Tot slot blijkt niet iedereen een betere stemming te krijgen van voldoende lichaamsbeweging – ongeacht of men depressieve symptomen vertoont of niet. Nikolaos Stavrakakis vond deze opmerkelijke resultaten in zijn promotieonderzoek. Op 9 maart promoveert hij op het proefschrift 'Physical activity and depressive symptoms: Is a healthy body necessary for a healthy mind?

December 2014. Alcohol heeft geen effect op ontwikkeling breinfuncties jongeren

Alcohol drinkende jongeren blijken niet slechter te functioneren op concentratievermogen, impulscontrole en geheugen dan hun niet-drinkende leeftijdgenoten. Dat schrijft Sarai Boelema van de Universiteit Utrecht in haar proefschrift. Zij promoveerde op 5 december in Utrecht op onderzoek naar alcoholgebruik onder adolescenten die meedoen aan het TRAILS-onderzoek. Boelema’s proefschrift is de eerste omvangrijke longitudinale studie naar de effecten van alcoholgebruik op het cognitieve functioneren bij jongeren. Lees de rest van het persbericht van de Universiteit Utrecht. In dit persbericht staan ook diverse links naar de media, zoals het NOS Journaal van 3 december en het RTL nieuws.

Juni 2014. Gegevens over gezondheid van TRAILS jongeren helpen bij verbeteren van preventie in Nederland

Het Ministerie van VWS heeft 15 miljoen euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het ontwikkelen van een extra preventief contact met adolescenten. Veel JGZ organisaties werken eraan om dit contactmoment vorm te geven.

Het UMCG deed onderzoek om dit te ondersteunen. Centraal in dit onderzoek stonden de aard en het voorkomen van risicogedragingen en (psychosociale) gezondheidsproblemen op deze leeftijd, en de mate waarin problemen clusteren bij specifieke risicogroepen. Vervolgens is ook nagegaan in hoeverre deze problemen kunnen worden beïnvloed. Het onderzoek was met name gericht op drie clusters: 1) overgewicht, lichamelijke beweging en voeding (ontbijten, groente- en fruitconsumptie), 2) roken, alcohol en cannabisgebruik en 3) internaliserende problemen, depressie, externaliserende problemen en pesten.

De resultaten laten zien dat problemen op een aantal terreinen sterk toenemen in de adolescentie. Die toename is sterker in bepaalde groepen zoals jongeren met laag opgeleide ouders en in lagere schoolniveaus. De verschillen tussen groepen zijn echter relatief klein, alle jongeren hebben aandacht nodig. Een goede taxatie vooraf van de risico's die jongeren lopen kan daarbij helpen om zo goed mogelijk advies te geven, en zo nodig preventieprogramma's aan te beiden zoals voorlichting en computerfeedback. De huidige transformatie van de jeugdhulp biedt daarbij ook mogelijkheden om gericht verder zorg- en preventietrajecten te ontwikkelen.

Het rapport dat deze bevindingen beschrijft is op 10 juni aangeboden aan de directeur Publieke Gezondheid van het Ministerie van VWS, op het ministerie in Den Haag.

Lees meer in het persbericht van het UMCG.

April 2014. Psychische problemen zo vroeg mogelijk voorkomen

Het aantal mensen met psychische en gedragsproblemen zal niet verminderen, tenzij Nederland zwaar inzet op preventie. Dat is de overtuiging van Hans Ormel (67), hoogleraar in de Sociale Psychiatrie en Psychiatrische Epidemiologie van het UMCG. De gelauwerde onderzoeker denkt bij preventie onder meer aan een nieuw vak op school voor vier tot achttienjarigen: leefvaardigheden.

Lees meer in het artikel van KennisInZicht van het Universitair Medisch Centrum Groningen.

April 2014. Artikel in het DvhN over 'Jeugd psychisch ziek'

In het Dagblad van het Noorden van 4 april 2014 staat het artikel 'Jeugd psychisch ziek'. Twintig tot dertig procent van de jongeren in Noord-Nederland krijgt een vorm van zorg wegens psychische problemen. Dat blijkt uit een onderzoek van het UMCG. Lees meer in het artikel of lees meer in het Engelstalige artikel van Prof.dr. S.A. Reijneveld en anderen, dat is verschenen in het online tijdschrift Plos One.

Februari 2013. VICI-beurs van 1,5 miljoen voor onderzoek naar plezier (persbericht UMCG)

Plezier maken is een hooggewaardeerd goed, vooral onder jonge mensen. Als het niet meer lukt om plezier te beleven, is dat bijzonder akelig. Het is een eenzaam en isolerend gevoel. NWO heeft aan Tineke Oldehinkel, hoogleraar Levensloopepidemiologie van Veelvoorkomende Psychiatrische Stoornissen in het UMCG, een subsidie van 1,5 miljoen euro toegekend voor drie onderzoeksprojecten naar het onvermogen om plezier te beleven, ook wel anhedonie genoemd. Lees ook de rest van het persbericht.

September 2012. KiVa, een onderzoek dat voortbouwt op het werk van TRAILS naar pesten - KiVa in het nieuws

Zeventig basisscholen zijn begonnen met het geven van lessen van het KiVa-antipestprogramma. Zowel het Journaal als het Jeugdjournaal maakten mooie reportages. Op de Rotterdamse Emmausschool filmde het NOS Journaal een KiVa-les en steungroepaanpak. Het Jeugdjournaal maakte een item over KiVa op de Julianaschool in Bennekom. Pavlov, het Radio 1 programma op de zaterdagavond tussen 18-19 uur, besteedde zaterdag 29 september meer dan de halve uitzending aan KiVa en pestgedrag, met onderzoekers René Veenstra en Patrick van Veen. In de wetenschapsbijlage van de NRC van zaterdag 29 september jl. staat een recensie over het boek. Hierin ook aandacht voor het KiVa programma. Hoogleraar sociologie René Veenstra van de Rijksuniversiteit Groningen gaat onderzoeken of het KiVa-programma ook in Nederland werkt (lees het interview).

Mei 2012. Betere prestaties door examenstress

Het voelen van een beetje spanning is goed voor de prestaties van de leerlingen tijdens de eindexamens die maandag beginnen. Als de hartslag en het cortisolgehalte - stresshormonen - stijgen, komen er betere resultatien uit. Lees verder in onderstaand artikel uit de Telegraaf.

April 2012. JGZ voorspelt psychosociale problemen ten dele

Gegevens van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) voorspellen psychosociale problemen bij jongeren maar deels. Gedragsproblemen, autisme spectrum en ADHD zijn goed te voorspellen op basis van door JGZ geregistreerde gegevens. Voor emotionele problemen geldt dat minder.
Onderzoekster Merlijne Jaspers promoveerde begin april 2012 op deze gegevens uit het TRAILS-onderzoek. Lees ook de rest van het nieuwsbericht.

Januari 2012. Artikel in Journal of Adolescent Health

Jongeren met een lage intelligentie hebben een aanleg voor onverklaarde lichamelijke klachten, vooral als zij ervaren dat hun ouders hoge schoolverwachtingen van hen hebben. Meer informatie over dit artikel is te lezen op de website van het NTVG.

Juni 2011. Pubers die gepest worden waren als kleuter vaker agressief en met minder sterke motoriek (persbericht UMCG/RUG)

Pesten op school is een groot, wereldwijd probleem. Naar schatting is 15 tot 25% van alle leerlingen betrokken bij pesten; dit kan zijn als dader, als slachtoffer of beide. Er is inmiddels al veel bekend over de gevolgen van pesten. Over risicofactoren die leiden tot pesten echter nog niet. Danielle Jansen van de afdeling Sociale Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen ontdekte dat agressief kleutergedrag een voorspeller is voor latere betrokkenheid bij pesten. Ook kinderen uit een lagere sociaaleconomische klasse blijken meer risico te lopen op pesten en pestgedrag. Haar artikel verschijnt nog deze maand in het tijdschrift BMC Public Health. Lees meer.

April 2011. Een greep uit tien jaar jongerenonderzoek (persbericht UMCG)

Over pesten, depressieve meisjes en jongeren met een kort lontje: een greep uit tien jaar jongerenonderzoek.
Het TRAILS-onderzoek heeft sinds de start in 2001 unieke gegevens verzameld over de ontwikkeling van jongeren. Enkele belangrijke bevindingen gaan over depressie, pesten en middelenmisbruik. Zo werd ontdekt dat depressie twee keer zo vaak voorkomt bij meisjes dan bij jongens en dat jongeren met een ‘kort lontje’ meer kans hebben op depressie. Pestgedrag blijkt niet alleen gevolgen te hebben voor het slachtoffer, maar ook voor de pester en zelfs de gehele klas. En jongeren die vroeg beginnen met roken, zullen sneller beginnen met blowen, maar niet elke jongere zal die overstap maken. TRAILS-onderzoekers proberen de nieuwe kennis ook te vertalen naar de praktijk: zo werkt een aantal basisscholen inmiddels al met het een uit TRAILS voortgekomen ‘netwerk-analyse’ om pesten te signaleren. Lees meer.

Februari 2011. TRAILS: een generatie jongeren in beeld

In februari verscheen er in het magazine van de Rijksuniversiteit van Groningen een artikel over TRAILS met als titel TRAILS: een generatie jongeren in beeld. Klik op de link om het artikel te downloaden.

Januari 2011. Sekseverschillen bij ontwikkeling stress-systeem in de puberteit (persbericht UMCG)

Stressvolle gebeurtenissen, roken en geslachtshormonen beïnvloeden het adolescente stresssysteem. Dit blijkt uit een onderzoek onder 715 zestienjarigen van Nienke Bosch van de Afdeling Psychiatrie van het UMCG. Zij bestudeerde welke sociale, psychologische en biologische factoren het adolescente stresssysteem vormen en beïnvloeden. Het onderzoek maakt deel uit van TRAILS, een grootschalig, langlopend onderzoek naar de geestelijke, lichamelijke en sociale ontwikkeling van ongeveer 2.500 jongeren in Noord-Nederland. Bosch promoveert op 26 januari aan de Rijksuniversiteit Groningen op dit onderzoek. Lees meer in het persbericht.

Oktober 2010. Nieuwe inzichten in pesten en gedragsproblemen bij jongeren (persbericht RUG)

Jongens worden vaker gepest als zij geen ‘jongensachtig’ gedrag tonen; meisjes als zij geen ‘meisjesachtig’ gedrag tonen. Of zij vroeger dan gemiddeld in de puberteit komen, maakt daarbij niet uit. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Martin Bakker. Lees verder in het persbericht van de Rijksuniversiteit Groningen.

September 2010. Omgeving heeft invloed op ADHD (persbericht UMC St Radboud)

Biologische en gezinsfactoren hebben, ook los van genetische aanleg, invloed op de ontwikkeling van de stoornis ADHD bij kinderen. Een hoog geboortegewicht, een moeder die rookt tijdens de zwangerschap en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling zijn omstandigheden die samenhangen met ADHD-symptomen bij kinderen. Dit blijkt uit een onderzoek van Cathelijne Buschgens, dat zij verrichtte bij de afdeling Psychiatrie van het UMC St Radboud. Zij promoveert op 9 september tot doctor in de medische wetenschappen. Lees verder op de site van het Universitair Medisch Centrum St Radboud.

Juni 2010. Snel groeiende kinderen hebben later veel meer kans op overgewicht (persbericht RUG)

Kinderen die tussen hun tweede en zevende levensjaar snel zwaarder worden, hebben een 25 tot 35 keer grotere kans om later overgewicht te ontwikkelen. Dat geldt nog eens extra voor kinderen van wie de moeder tijdens de zwangerschap rookte. Ook kinderen met depressieve symptomen of met een impulsief karakter worden later vaker te zwaar. Dat ontdekte UMCG-onderzoekster Eryn Liem. Op 9 juni 2010 promoveert ze op het onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Een bekende methode voor het vaststellen van overgewicht bij volwassenen is de Body Mass Index (BMI), een berekening waarbij het gewicht wordt gedeeld door de lengte in het kwadraat. Het vaststellen van overgewicht bij kinderen is lastiger. Voor kinderen in de groei zijn er aangepaste, internationale en geslachtsspecifieke versies van de BMI. Daaruit blijkt dat het aantal kinderen met overgewicht fors is toegenomen. In onderzoeken verschuift de nadruk steeds meer van het behandelen naar het voorkomen van overgewicht. Promovenda Eryn Liem onderzocht verschillende risicofactoren voor het ontwikkelen van overgewicht.

Het TRAILS-onderzoek
Liem verrichte haar onderzoek in het kader van TRAILS (TRacking Adolescents’ Individual Lives Survey), een groot, langlopend bevolkingsonderzoek naar de geestelijke, lichamelijke en sociale ontwikkeling van ongeveer 2.500 jongeren in Noord-Nederland. De onderzoekster onderzocht de DNA-profielen van zo’n 1.200 zestienjarigen, waarbij ze vooral keek naar genetische variaties in twee genen (FTO en MC4R) die worden geassocieerd met overgewicht. Ze vergeleek deze profielen vervolgens met eerdere groei- en meetgegevens.

Risicofactoren voor overgewicht
Liem ontdekte dat vooral de gewichtstoename tussen twee- en zevenjarige leeftijd bepaalt of kinderen later overgewicht zullen ontwikkelen. Kinderen die in de leeftijdsperiode van 2 tot 7 jaar versneld groeien maken maar liefst 25 tot 35 keer meer kans om later te zwaar te worden. Bij kinderen van wie de moeder rookte tijdens de zwangerschap is die kans zelfs nog groter. Een andere opvallende uitkomst van het onderzoek is dat de BMI op 16-jarige leeftijd direct verband lijkt te houden met genetische variaties in de twee onderzochte genen. Overgewicht in de puberleeftijd ligt met andere woorden voor een belangrijk deel genetisch vast. Tot slot concludeert Liem dat 11-jarige kinderen met depressieve symptomen meer kans maken om op 16-jarige leeftijd te zwaar te zijn, net als impulsieve kinderen.

Huidplooien meten
In het tweede deel van haar proefschrift ging de promovenda na wat de beste methode is voor het bepalen van de hoeveelheid lichaamsvet bij kinderen. De BMI maakt namelijk geen onderscheid tussen spier- en vetmassa, en andere, betrouwbaardere meetmethoden zoals CT en MRI zijn te duur om op grote schaal gebruikt te worden. Na een onderzoek bij dertig zes- en zevenjarigen stelt de promovenda dat het meten van huidplooien de beste eenvoudige methode is om het buikvet te meten in de periode voor de puberteit.

Curriculum vitae
Eryn Liem (Den Haag, 1978) studeerde geneeskunde aan de Katholieke Universiteit Leuven in België. Ze verrichtte haar onderzoek bij het Groningen Expert Centre for Kids with Obesity (GECKO) van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door datzelfde ziekenhuis en door een subsidie van Hutchison Whampoa Ltd (Kruidvat). Liem promoveert tot doctor in de medische wetenschappen bij prof. dr. R.P. Stolk. De titel van haar proefschrift luidt: “Development of overweight in adolescence. Genes, Growth & Mood”. Liem is in opleiding tot kinderarts en werkt momenteel in de Isala klinieken in Zwolle.

Noot voor de pers
Contact via de persvoorlichters van het Universitair Medisch Centrum Groningen, tel. 050 361 2200

Juni 2010. Opgroeiende meisjes stressgevoeliger dan jongens (persbericht RUG)

Meisjes kunnen minder goed tegen stress dan jongens: na stressvolle gebeurtenissen hebben meisjes vaker last van depressieve gevoelens. Ook reageren meisjes van wie de ouders ooit depressieve klachten hebben gehad anders op stress dan jongens. Dat ontdekte onderzoekster Esther Bouma van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Op 2 juni promoveert ze op het onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen (het persbericht ook via NU.nl).

Tijdens de puberteit neemt het aantal depressieve klachten toe, vooral bij meisjes. Een van de belangrijkste risicofactoren voor het ontwikkelen van depressies is sociale stress, al wordt niet iedereen depressief van stress. Onderzoekster Bouma ging na welke factoren bepalen waarom sommige jongeren depressief worden na het meemaken van psychosociale stress en andere niet.

Stressmeting
Om te onderzoeken hoe jongens en meisjes lichamelijk reageren op stress liet Bouma een groep van 715 zestienjarigen een stresstaak uitvoeren. De jongeren kregen de opdracht om in zeven minuten een korte presentatie voor te bereiden over hun leven. Deze presentatie werd vervolgens vastgelegd op film en de deelnemers kregen voorgespiegeld dat hun verhaal, houding en presentatiewijze beoordeeld zouden worden door leeftijdsgenoten. Ook werd de jongeren gevraagd om onder tijdsdruk hardop moeilijke rekensommen uit te voeren. Voor, tijdens en na beide taken werd het stresshormoon cortisol in het speeksel gemeten.

Minder stresshormonen bij meisjes
Bouma ontdekte dat meisjes anders op stress reageren dan jongens. Zo bevatte het speeksel van de meisjes een minder hoge cortisolconcentratie dan dat van de jongens. Ook in de groep meisjes bleken verschillen te bestaan tussen meisjes die niet aan de pil waren en pilgebruiksters. Bij die laatste groep werd zelfs helemaal geen cortisolreactie gemeten. Ondanks de verschillen in lichamelijke reacties bestond er geen verschil in de hoeveelheid stress die de jongeren zelf aangaven te ervaren. Een mogelijke verklaring voor de verschillen is dat de hormonen in de pil de activatie van het stress-systeem beïnvloeden.

Reactie op stress genetisch bepaald
Verschillen in hormoonhuishouding kunnen mogelijk ook een ander opvallend verschil tussen de seksen verklaren: genetische risicofactoren voor depressie komen in de puberteit sterker naar voren bij meisjes dan bij jongens. Zo hadden meisjes van wie de ouders ooit depressieve klachten hebben gehad een lagere cortisolreactie tijdens de stresstaak dan meisjes van wie de ouders geen klachten hadden. Hoe we reageren op stress lijkt dus deels erfelijk bepaald.

Het TRAILS-onderzoek
Bouma verrichte haar onderzoek in het kader van TRAILS (TRacking Adolescents’ Individual Lives Survey), een groot, langlopend onderzoek naar de geestelijke, lichamelijke en sociale ontwikkeling van ongeveer 2.500 jongeren in Noord-Nederland. De jongeren zijn inmiddels zo’n 18 jaar oud en hebben tussen hun tiende en negentiende jaar vier keer meegewerkt aan verschillende metingen. Bouma’s onderzoek naar het verband tussen stress, geslacht, genetisch profiel en depressie is gebaseerd op de derde meting, uitgevoerd rond 2007.

Curriculum vitae
Esther Bouma (Haarlem, 1976) studeerde biologie aan de Rijksuniveriteit Groningen. Ze verrichtte haar onderzoek bij het Interdisciplinair Centrum voor Psychiatrische Epidemiologie (ICPE) van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek werd gefinancierd door een subsidie van NWO. Bouma promoveert tot doctor in de medische wetenschappen bij prof. dr. A.J. Oldehinkel. De titel van haar proefschrift luidt: “The sensitive sex. Depressive symptoms in adolescence and the role of gender, genes and physiological stress responses.” Bouma werkt als postdoc onderzoeker aan de afdeling Psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Groningen.

Noot voor de pers
Contact via de persvoorlichters van het Universitair Medisch Centrum Groningen, tel. 050 361 2200

25 Maart 2010. Voorspellers cannabisgebruik in kaart

Promovenda Erasmus MC onderzocht verbanden tussen temperament en andere risicofactoren

Karaktereigenschappen bepalen maar voor een klein deel of een jongere risico loopt om te gaan blowen. Vroeg beginnen met roken, omgaan met blowende vrienden en gedragsproblemen zijn daarentegen sterkere indicatoren van cannabisgebruik. Het verband tussen deze risicofactoren en cannabisgebruik hangt wel voor een deel samen met iemands karakter. Dit en meer concludeert drs. Hanneke Creemers, wetenschappelijk onderzoeker op de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie van het Erasmus MC – Sophia Kinderziekenhuis, in haar proefschrift waar ze donderdag 25 maart op promoveert.

Maart 2010. Kennislink over artikel 'Probleemgedrag bij jongeren'

Probleemgedrag bij jongeren
Een beetje karakter, vleugje vrienden en een scheut ouders

Een aanzienlijk deel van de jongeren ontwikkelt probleemgedrag in de puberteit. Sommige jongeren zijn echter kwetsbaarder voor het ontwikkelen van probleemgedrag dan anderen. Om er achter te komen wat maakt dat het ene kind probleemloos de puberteit doorstaat, terwijl het andere kind steeds dieper in de problemen raakt, onderzocht promovendus Miranda Sentse welke invloed de sociale omgeving heeft op het ontwikkelen van probleemgedrag. Ouders blijken een belangrijke rol te spelen. Sentse promoveert op 4 maart 2010 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Lees meer in het internetbericht op Kennislink.nl.

Januari 2010. Persbericht 'Jong roken, vroeg blowen'

Jongeren die voor hun twaalfde jaar beginnen met roken, hebben twintig keer meer kans om op jonge leeftijd ook cannabis te gaan gebruiken. Jongeren die dan ook beginnen met blowen zijn gemiddeld dertien jaar oud. Dit alles blijkt uit een studie van een groep onderzoekers uit Amsterdam, Rotterdam, Groningen en Helsinki. Klik hier voor de rest van het nieuwsbericht bij NOS Headlines.

December 2009. Europese prijs voor in Groningen ontwikkeld anti-pestprogramma

Een in Groningen ontwikkeld anti-pestprogramma wint de Europese prijs voor criminaliteitspreventie (European Crime Prevention Award 2009). De Groninger Internet Courant maakt hier melding van.

November 2009. Website Prevention Action vermeldt artikel TRAILS

Hierbij een link naar de website van Prevention Action. Deze site verwijst naar het net verschenen artikel van TRAILS (R. Veenstra et al.) met als titel 'Childhood-limited versus persistent antisocial behavior: why do some recover and others do not?'

September 2009. TRAILS op TV

Op 2 september was TRAILS te zien op TVNoord en op 9 september op TVDrenthe naar aanleiding van een publicatie van Menno Reijneveld over 'Wonen in achterstandgebied bepaalt mate van gedragsproblemen'.

September 2009. Persbericht over artikel 'Wonen in achterstandgebied bepaalt mate van gedragsproblemen'

Jongeren in de leeftijd van 11,5 tot 13,5 jaar oud hebben vaker gedragsproblemen als zij wonen in achterstandsgebieden. Hierbij maakt het geen verschil of ze in een stedelijke omgeving of een landelijk gebied wonen. Klik hier voor meer informatie.

Augustus 2009. Goede band met leerkrachten en ouders voorkomt spijbelen

Kinderen die een zwakke sociale binding met hun ouders en leraren hebben, lopen een grotere kans om te gaan spijbelen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van René Veenstra en zijn collega’s van de Rijksuniversiteit Groningen. Een mentor die de band tussen kind, school en ouders probeert te versterken, zou uitkomst kunnen bieden. Klik hier voor meer informatie.

9 April 2009. Pestkoppen en slachtoffers

René Veenstra en Andrea de Winter zijn aanwezig bij Kenniscafé Groningen en behandelen het thema pesten. Voor meer informatie, klik hier.

Maart 2009. Pestproject

TRAILS schenkt extra aandacht aan het onderwerp pesten.

December 2008. TRAILS magazine

Eind december is het tweede TRAILS magazine verschenen. Ook deze keer met leuke weetjes over bijvoorbeeld pesten en alcoholgebruik bij jongeren, maar ook leuke interviews met onder andere professor Oldehinkel.

Klik hier om het magazine nog eens na te lezen.

6 November 2008. TRAILS op TV

Op donderdag 6 november was TRAILS te zien op TV noord bij het programma Adams Appel.

Onderzoeksleider Hans Ormel, hoogleraar Psychiatrie, i.h.b. de sociale psychiatrie, aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), vertelt in Adams Appel waarom longitudinaal onderzoek op deze gebieden zoveel kennis kan opleveren en waarom het zo belangrijk is dat van de oorspronkelijke groep deelnemers er zo weinig mogelijk afhaken. Klik hier om de filmpjes te bekijken.

1 November 2008. Nieuwe TRAILS website

TRAILS heeft sinds 1 november 2008 een nieuwe website! Ook dit keer staat de site weer vol met interessante dingen, zoals achtergrondinformatie over TRAILS, onderzoeksresultaten, informatie over onderzoekers en zelfs video's. Ook staan er veel foto’s op. Daarnaast is er een speciale pagina voor TRAILS deelnemers.

Momenteel worden de laatste puntjes nog op de i gezet, waardoor nog niet alle onderdelen zonder problemen verlopen. We gaan natuurlijk ons best doen om dit zo snel mogelijk op te lossen.

We hopen dat jullie onze nieuwe, verfrissende website leuk vinden. Als jullie nog op- of aanmerkingen hebben over de website, horen we dat graag (via contact).

1 November 2008. TNS NIPO

Een belangrijke verandering binnen TRAILS is dat we het uitvoeren van de metingen samen doen met het onderzoeksbureau TNS NIPO. Dat betekent dat zowel medewerkers van TRAILS als medewerkers van TNS NIPO contact met de deelnemers kunnen opnemen. Voor de deelnemers verandert er verder niets. TNS NIPO behandelt de gegevens absoluut vertrouwelijk. De gegevens komen direct na de meting bij TRAILS terecht. Anonimiteit blijft dus gewaarborgd en de gegevens worden alleen door TRAILS medewerkers gebruikt.

Voor informatie over de vierde meting kan er contact opgenomen worden met het TNS NIPO. Meer informatie over TNS NIPO kan je vinden op www.tns-nipo.com.

14 Oktober 2008. Start vierde meting

We zijn begonnen met de vierde meting! Deze meting zal deels door het onderzoeksbureau TNS NIPO uitgevoerd worden.
Omdat TRAILS extra subsidie heeft gekregen, kunnen we deze meting een aantal extra onderdelen aanbieden: de computertaken en het interview! Klik hier voor de folder van de vierde meting.

Oktober 2008. Puberteit lastiger voor meisjes

De puberteit is voor meisjes lastiger dan voor jongens. Wellicht ontstaat dan de grotere gevoeligheid die vrouwen voor depressiviteit hebben.

December 2007. Aantrekkelijk en Asociaal maakt Populair

Goeduitziende, goedgebekte en sportieve jongens en meisjes komen weg met behoorlijk antisociaal gedrag. Maar andere leerlingen die dit gedrag kopiëren, worden er niet populairder op. Populariteit is niet af te dwingen. Leuk zijn overigens wel. Door hulpvaardig te zijn.

Oktober 2007. Wie we stom vinden en wie juist leuk.

Pubers vinden een beetje antisociaal gedrag bij hun leeftijdgenoten wel cool. Maar dat alleen maakt niet populair. Socioloog Dijkstra onderzocht hoe pubers hun vrienden kiezen.

Oktober 2007. Populaire leerling kan behoorlijk agressief zijn

De populairste leerling van de klas is vaak knap en ook nog goed in sport. Maar ook agressief gedrag is hem of haar niet vreemd.

Februari 2005. Depressieve buien bij 1 op de 5 pubers

Een op de vijf pubers in het Noorden kampt met symptomen van depressiviteit. Een kwart daarvan wordt daadwerkelijk depressief.